Direct naar de inhoud
Terug naar de opdracht
Bron: Maakkunde (NEMO Science Museum)

Maak een onderwaterwereld

Ontwerp en bouw met de klas een onderwaterwereld op de bodem van een aquarium, waarbij drijvende voorwerpen moeten leren zinken.

Groep:
groep 1, groep 2, groep 3, groep 4
Tijdsduur:
180 minuten
Niveau:
gemiddeld
Groepsvorm:
groepjes
Naam: ____________________________Datum: ______________
Illustratie van het probleem: kinderen bekijken drijvende en zinkende voorwerpen voor een onderwaterwereld (groep 1-4)

Wat heb je nodig?

  • Boterhamzakjes
  • Touwtjes
  • Rietjes
  • Kralen
  • Satéprikkers
  • Plastic bekertjes
  • Sponzen (in stukken)
  • Mandarijnennetjes (zonder sluitclipjes)
  • Schoonmaakdoekjes (in stukken)
  • Klei
  • Elastiekjes
  • Paperclips
  • Moeren
  • Knikkers
  • Steentjes
  • Pingpongballen
  • Water
  • Theedoeken
  • Scharen
  • Waterdichte bakjes/potjes met deksel
  • Grote doorzichtige bak (bijv. aquarium)

Wat leer je?

  • Ontdekken welke materialen drijven en welke zinken, en overeenkomsten en verschillen daartussen benoemen (kerndoel 42)
  • De opwaartse kracht van water zelf ervaren en begrijpen dat deze kracht ontstaat doordat een voorwerp water wegduwt (kerndoel 42)
  • Begrijpen dat de vorm en het gewicht van een voorwerp bepalen of het drijft of zinkt (kerndoel 42, 44)
  • De ontwerpcyclus (verkennen, ontwerpen, maken, testen & verbeteren) toepassen bij het maken van een eigen onderdeel van de onderwaterwereld (kerndoel 45, 55)
  • Vaktaal gebruiken zoals drijven, zinken, opwaartse kracht en zwaartekracht (kerndoel 12)
  • Samen overleggen, ideeën beargumenteren en het eigen product presenteren (kerndoel 2, 3, 8)

⚠️ Let op — Veiligheid

Werk onder toezicht van de leerkracht. Let op de polariteit bij batterijen, LED's en motoren.

Stappenplan

  1. 1

    Testen en verkennen. Verzamel ongeveer 10-15 alledaagse voorwerpen (bijvoorbeeld een rietje, een knikker, een spons en een paperclip) en laat de kinderen per voorwerp voorspellen of het drijft of zinkt in een grote bak water. Test het daarna echt en verdeel de voorwerpen in twee groepen: drijvers en zinkers. Bespreek samen waarom de ene groep drijft en de andere zinkt.

  2. 2

    De opwaartse kracht voelen. Geef elk groepje een pingpongbal en een eigen bakje water. Laat de kinderen de bal onder water duwen en voelen hoe het water terugduwt: dat is de opwaartse kracht van water.

  3. 3

    Onderzoeken hoe je iets kunt laten zinken. Geef elk groepje een afsluitbaar potje met een setje steentjes. Laat ze voorspellen en uittesten hoeveel steentjes nodig zijn om het lege, drijvende potje te laten zinken. Herhaal het onderzoek met klei: vorm eerst een balletje (dat zinkt) en daarna, met precies dezelfde hoeveelheid klei, een bakje met opstaande rand (dat drijft). Zo ontdekken de kinderen dat niet alleen gewicht, maar ook de vorm bepaalt of iets drijft of zinkt.

  4. 4

    Ontwerpen. Laat elk groepje een eigen onderdeel van een gezamenlijke onderwaterwereld bedenken, eventueel rond een zelfbedacht verhaal (wie woont er, wat hebben ze nodig). Kies per groepje één drijvend voorwerp uit de eerste test en maak een ontwerptekening waarin dat voorwerp met andere materialen (zoals touw, een boterhamzakje, elastiek, klei, moeren of knikkers) wordt verzwaard of ingepakt zodat het naar de bodem zinkt.

  5. 5

    Bouwen, testen en verbeteren. Laat de groepjes hun ontwerp met de gekozen materialen bouwen en het steeds tussentijds in een eigen testbakje met water uitproberen. Zinkt het onderdeel niet meteen naar de bodem, bedenk dan samen een verbetering: meer gewicht toevoegen of de vorm compacter maken.

  6. 6

    Presenteren. Voeg alle onderdelen samen in één grote doorzichtige bak met water tot een complete onderwaterwereld op de bodem. Laat elk groepje vertellen welk drijvend voorwerp ze gebruikt hebben en hoe ze het hebben laten zinken.