Direct naar de inhoud
Terug naar de opdracht
Bron: Maakkunde (NEMO Science Museum)

Maak een snaarinstrument

Leerlingen onderzoeken trillingen en klankkasten en ontwerpen daarna hun eigen snaarinstrument met snaren van verschillend materiaal.

Groep:
groep 5, groep 6, groep 7, groep 8
Tijdsduur:
245 minuten
Niveau:
gemiddeld
Groepsvorm:
individueel
Naam: ____________________________Datum: ______________
Verschillende soorten snaarinstrumenten naast elkaar

Wat heb je nodig?

  • een eigen klankkast, bijv. een lege levensmiddelenverpakking of blik
  • breed en dun elastiek, nylondraad, flosdraad en/of naaigaren (als snaren)
  • knoop, paperclip, splitpen en/of schroefoog (om de snaren te bevestigen)
  • ijslollystokje en satéprikker
  • plakband of schilderstape
  • schaar
  • prikpen

Wat leer je?

  • Leerlingen doorlopen de ontwerpcyclus bij het ontwerpen en maken van een snaarinstrument.
  • Ze passen de onderzoekscyclus toe bij het onderzoeken van geluid.
  • Ze ontdekken dat geluid een trilling is die een medium nodig heeft om zich voort te bewegen.
  • Ze ervaren dat een grote of snelle trilling een ander geluid geeft dan een kleine of langzame trilling (volume en toonhoogte).
  • Ze leren dat het materiaal en de grootte van een klankkast de klank beïnvloeden.
  • Ze maken kennis met verschillende soorten (snaar)instrumenten.

Stappenplan

  1. 1

    Verken het probleem. Er komt binnenkort een open podium waarvoor de klas een uniek orkest moet vormen, maar er zijn nog geen instrumenten. Bedenk in tweetallen welke vragen je moet beantwoorden om zelf een snaarinstrument te kunnen ontwerpen en maken.

  2. 2

    Onderzoek geluid en trillingen. Laat een liniaal over de rand van de tafel uitsteken en tokkel eraan: zie en hoor hoe de liniaal trilt. Verander de lengte die uitsteekt en de kracht waarmee je tokkelt om te ontdekken hoe dit de toonhoogte en het volume beïnvloedt. Onderzoek ook dat geluid een medium nodig heeft om zich voort te bewegen (bijvoorbeeld via een tafel of een traploopveer) en vergelijk klankkasten van verschillend materiaal en formaat.

  3. 3

    Ontwerp je snaarinstrument. Kies op je werkblad een klankkast, minstens twee snaren van verschillend materiaal (bijvoorbeeld elastiek, nylondraad, flosdraad of naaigaren) die elk een andere toonhoogte moeten krijgen, en bedenk hoe je de snaren gaat bevestigen (bijvoorbeeld met een knoop, paperclip, splitpen of schroefoog).

  4. 4

    Maak het instrument. Maak met een prikpen of schaar gaatjes in de klankkast, bevestig de snaren strak zodat ze een helder geluid geven en gebruik eventueel een ijslollystokje en satéprikker als hals of brug.

  5. 5

    Test en verbeter. Tokkel of strijk over de snaren en controleer of ze echt verschillende toonhoogtes geven. Span losse snaren strakker aan of pas de klankkast aan als het geluid niet voldoet.

  6. 6

    Presenteer je instrument. Laat elkaar je snaarinstrument horen en bespreek welke materialen en welke klankkast voor welke klank zorgden.